maandag 17 november 2008

De gevaren van een financieel-economische crisis

De schok der herkenning
Nu onze wereld sedert oktober van dit jaar in een zeer omvangrijke, financieel-economische crisis verkeert en de invloeden daarvan op tal van punten ernstige gevolgen hebben op het mondiale geldsysteem, is een associatie met de beurskrach van 1929 op Wall Street in principe geen absurde gedachte.


Niemand in Europa hoeft te denken dat de meeste burgers van ons eigen continent er wel zonder al te ernstige kleerscheuren van af zullen komen, want dat zal zeker niet het geval zijn, en al helemaal niet waar dat de smalle huishoudbeurs betreft — en dat is geheel in overeenstemming met de manier waarop alle financiële problemen altijd zoveel mogelijk worden afgewenteld. Helaas zal niet één regering beslissen wat minder onzinnig wapentuig te bestellen of zodanige maatregelen te treffen dat geldvampieren hun slag(en) niet meer onophoudelijk kunnen slaan. En of dat nu bankmanagers dan wel dubieuze industriëlen zijn, is daarbij niet van primair belang; het feit dat dergelijke kansen voor bepaalde roofdieren van het menselijk ras zo wijd verbreid zijn geweest, wijst al naar de onverbiddelijke noodzaak van een gezamenlijk optrekken van zoveel mogelijk regeringen — op ons continent èn wereldwijd — eveneens met medewerking van alle daarbij betrokken instituten op de diverse nationale niveaus, in ons werelddeel en tevens mondiaal. Dat zou dan eindelijk een positief resultaat van de zo dikwijls terecht gesmade globalisering zijn.
Daar ligt dan ook meteen het — in ieder geval basaal hoopgevende — verschil met de krach van acht decennia geleden. Toen was er niet de geringste sprake van een mondiaal optreden tegen uitwassen en bleek dat ieder zoveel mogelijk voor zich wilde binnenhalen, daarbij niet beseffend dat een gereglementeerde, gezamenlijke aanpak voor alle betrokkenen veel betere resultaten zou opleveren. Zolang de huidige protagonisten — in hun gezamenlijke strijd tegen verdere afkalving en nog meer duistere scenario's — dat als één instituut doen, is de kans op succes verreweg het grootst.

Beginstadia
In het boek Barbarij en beschaving — Een geschiedenis van Europa in onze tijd schrijft historicus Bernard Wasserstein in het Hoofdstuk Crisis en terreur 1929-1936 onder meer het volgende: "De beginstadia van de recessie zouden tot op zekere hoogte kunnen worden verklaard als een correctie op een speculatiehausse: de afname van de bedrijvigheid als een natuurlijke daling in de economische cyclus." Het lijkt, althans op het eerste gezicht, nogal op de situatie van nu, al is de speculatiehausse thans een andere dan toen. Nu hebben tal van kredietverstrekkers hun grenzen zodanig ver overschreden dat het wankele kaartenhuis wel moest instorten. Dat dit ook nu weer in de VS is begonnen, komt doordat daar de meeste van die instituten zijn gevestigd, welke overigens ook op tal van cruciale plekken in Europa hun graaigrage vingers in het spel hadden en deels nu nog hebben. Daartegen dienen stringente wetten nu heel snel te worden gerealiseerd om op die manier in ieder geval alles te proberen een herhaling te voorkomen.
Gelukkig zijn er ook markante verschillen met de gevolgen van de krach van 1929 voor Europa, en met name de huidige Duitse Bondsrepubliek. Nu zit dat land weliswaar met een staatsschuld, maar daarnevens niet met een torenhoge Herstelbetalingen als gevolg van de bij het Verdrag van Verdun overeengekomen verplichtingen. Want juist die betalingen konden door het uitblijven van Amerikaans geld voor Duitsland na de beurskrach niet meer worden gerealiseerd en dat heeft, in uiterste consequentie, Hitler (mede) mogelijk gemaakt. Dat aspect van financiële kwetsbaarheid bestaat nu weliswaar niet, en dat geeft weliswaar enige ruimte om te kunnen blijven ademen, maar voor het opgelucht diep doorademen is het nog te vroeg, aangezien alle tot nu toe verborgen gebleven, dan wel bewust zo lang mogelijk verborgen gehouden, problemen binnen handel en industrie zullen alle betrokkenen nog meer dan voldoende hoofdbrekens gaan kosten.

Hitler en Stalin
Dat een geïncarneerd geestelijk defect als Adolf Hiter zo nadrukkelijk de kans heeft gekregen
zich als sterke man op te werpen, had niet alleen maar te maken met de wereldwijde economische crisis, doch deze versterkte en versnelde het proces van overmatig groeiend nationalisme — de koorts die aan de zeer ernstige ziekte voorafgaat — dat aan de onderkant van de samenleving in Duitsland sedert 1918 reeds had gegist en precies in die stroomversnelling raakte welke een zogenoemde sterke man met voor menigeen een messiaans charisma buitengemeen in de kaart zou spelen.
Weliswaar bevindt zich in de huidige Bondsrepubliek Duitsland nog steeds geen wezen, dat — ondanks zijn of haar buitenissige conglomeraat van psychotische stoornissen — over voldoende redenaarstalent en tevens een reserve aan manipulatief populisme beschikt om in de voetsporen van de demonische dictator van anno dazumal te kunnen treden, maar een woekerend neo-nationaal-socialisme kan regelrecht op het voor democratische processen verkeerde moment huiveringwekkende gevolgen hebben. Mede daarom zal elke regering in Europa ervoor moeten zorgen dat niet alleen banken en multinationals worden ondersteund, maar dat vooral de Ärmsten der Armen op de juiste steun kunnen rekenen.

Wasserstein betrekt de figuur Hitler in zijn overwegingen met betrekking tot de in het bewuste hoofdstuk in grote lijnen behandelde economische crisis van de jaren dertig. De Georgiër Stalin, die dezelfde functie vervulde en dezelfde, zo niet nog heel wat ergere, krankzinnigheid aan de dag legde — en daarmee heel direct het grootst denkbare gevaar voor een min of meer vrije samenleving vormde , leidde zijn staat onder weliswaar anders lijkende omstandigheden, maar die waren in wezen dezelfde en alleen in het kader van de sovjet-propaganda — niet in de laatste plaats naar het westen toe — zodanig geformuleerd dat men zou kunnen menen dat het in dat grote land van de grens met het westen tot in Vladivostok er anders — lees: positiever — uitzag.

Twintigste eeuw
Het hierboven aangehaalde hoofdstuk in het boek van Wasserstein beslaat zo'n veertig pagina's
van de in totaal 976 die het rijk is. Het hele boek behandelt een geschiedenis van Europa in onze tijd, dus het gedeelte dat als Nieuwe en Nieuwste geschiedenis kan worden aangemerkt: de twintigste eeuw en de eerste jaren van het eerste decennium van onze huidige eeuw.
Diegenen, die de moed kunnen opbrengen m de confrontatie met zo'n voortreffelijk geschreven, veelzijdig, leerzaam èn onderhoudend boek aan te gaan, zij er nog op gewezen dat bij dezelfde
uitgever eerder een andere, kortere geschiedenis van de twintigste eeuw — geschreven door onze landgenoot, de historicus Maarten van Rossem — is uitgekomen, en die twee boeken samen verschaffen een vrijwel lacuneloos overzicht van alle toestanden en gebeurtenissen die van onvervreemdbare importantie zijn geweest voor de ontwikkeling van ons continent.
Een uitgebreide bespreking van de andere elementen van Wassersteins boek zult u binnenkort op onze zustersite Tempel der Historie kunnen aantreffen.
__________
Bernard Wasserstein:
Barbarij en beschaving
Een geschiedenis van Europa in onze tijd

Vertaald uit het Engels door
Pieter van der Veen, Chiel van Soelen
en Toon Dohmen
976 pag., gebonden, met stofomslag
Nieuw Amsterdam Uitgevers
Amsterdam, 2008
ISBN 978 90 468 0406 3
____________
Afbeeldingen
1. Voorzijde van het stofomslag van Barbarij en beschaving.
2. Dolgedraaide dictator in de dop: de jonge, doch reeds flink verknipte Dwaze Dolfje.
3. J. Dzoegasjvili, alias Stalin.
4. Bernard Wasserstein, auteur van Barbarij en beschaving.
5. Rugzijde van het stofomslag van dat boek.

Geen opmerkingen: